De incorporatie van belaste reserves in kapitaal: wanneer er wel voor opteren en wanneer niet?

In het vorige nummer van Accountancy Actualiteit hebben we de belangrijkste principes toegelicht die van toepassing zijn op de nieuwe overgangsmaatregel waarbij een vennootschap een deel van haar belaste reserves kan incorporeren in kapitaal aan 10% roerende voorheffing[1]. Voor heel wat vennootschappen is het een noodzaak om dergelijke incorporatie te overwegen. Maar geldt dit wel voor alle vennootschappen? In welke gevallen opteer je daar best wel voor en wanneer beter niet?

Een belastingverhoging die enorm wordt onderschat
In het algemeen valt er weinig of geen negatief nieuws in de media te rapen over de verhoging van de liquidatieheffing van 10% naar 25%. Nochtans is dit een reusachtige belastingverhoging voor vennootschappen die in het verleden braafjes hun (reeds belaste) winsten hebben opgespaard en op die manier een spaarpot  hebben aangelegd voor later. De (zeer) grote (multinationale) ondernemingen zullen zeker niet wakker liggen van deze maatregel. Deze worden in België immers zo goed als nooit rechtstreeks aangehouden door de uiteindelijke natuurlijke personen die achter de schermen aan de touwtjes trekken. De vereffening van dergelijke vennootschappen wordt meestal zo georganiseerd dat er nooit liquidatiebelasting verschuldigd is (via fusie, uitkering liquidatiesaldo aan buitenlandse vennootschap met vrijstelling RV op basis van moeder-dochterrichtlijn, …).

De belastingverhoging op de liquidatieboni zal dus vooral de massa kleine familiale ondernemingen treffen. De verhoging van het tarief wordt ook nog fors onderschat omdat er bij heel wat vennootschappen niet gerealiseerde meerwaarden op activa zijn die enkel zichtbaar worden bij liquidatie zodat de fiscus dus tweemaal langs de kassa passeert. Eerst tegen een tarief van 33,99% vennootschapsbelasting en het saldo zal nadien nog eens worden afgeroomd met 25% roerende voorheffing. Een effectieve taxatie dus van 50,5%!

Als wijze van "gunst" mogen de ondernemingen tussentijds hun opgepotte winsten uit het verleden dus vastklikken aan 10%. In elk geval een ingenieuze [2] maatregel van onze regering …

Interessant om de reserves vast te klikken of toch niet?
Nu we niet meer aan de verhoging van de liquidatiebelasting kunnen ontsnappen, rijst de vraag of we de overgangsmaatregel om "tussentijds" te liquideren al dan niet moeten toepassen.

Iedere bedrijfsleider die binnen een relatief korte tijdspanne wenst te stoppen met zijn activiteiten en zijn vennootschap wenst te liquideren, moet deze maatregel zeker en vast overwegen. Nu kunnen immers de in het verleden opgepotte reserves worden "vastgeklikt" aan 10%. Onderneemt u geen actie, dan wordt dat nadien 25%. Een verschil van 15% dat een belangrijke som kan uitmaken indien het om een eigen vermogen van enkele honderdduizenden euro’s of meer gaat.

Maar wat indien het moment van ontbinding en vereffening nog 10, 20 of 30 jaar of zelfs langer verwijderd is? Is het in dat geval wel interessant om een deel van de reserves vast te klikken in kapitaal? Die vraag moeten we genuanceerd beantwoorden en hangt af van heel wat factoren …

Wanneer de reserves WEL vastklikken aan 10%?
Nadat de belaste reserves in kapitaal worden vastgeklikt, dienen de aandeelhouders een aantal jaren te wachten - respectievelijk 4 of 8 jaar afhankelijk van het feit of de vennootschap als klein of groot wordt beschouwd op het moment van incorporatie - vooraleer zij deze onder de vorm van een belastingvrije kapitaalverlaging aan zichzelf kunnen uitkeren.

Het vastklikken van de reserves kan in eerste instantie worden aanzien als een alternatieve vorm om geld uit de vennootschap te halen aan een belastingvoet van +/- 40%. De vastgeklikte reserves werden immers in het verleden reeds belast aan het tarief van 33,99% en op het overblijvende saldo gaat er nog eens 10% af. Op 100 € nettowinst vóór belastingen blijft er op die manier dus 59,41 € netto over voor de aandeelhouders. Werden de reserves in het verleden belast aan het verlaagd tarief, dan is dat zelfs nog iets meer.

Indien de technieken om zo voordelig mogelijk geld uit de vennootschap te halen reeds maximaal worden benut en de bedrijfsleider(s)-aandeelhouder(s) bijkomend nog een extra bezoldiging of dividend moet(en) uitkeren om privé uiteindelijk mee rond te komen, dan is een dergelijke incorporatie ten stelligste aan te bevelen. Over 5 of 9 jaar kan deze extra bezoldiging of dat extra dividend dan worden vervangen door een belastingvrije kapitaalvermindering. Op die manier wordt er vanaf dat moment een mooie belastingbesparing gerealiseerd aangezien op een bijkomend loon of tantième vaak een belastingdruk zit van +/- 60%. Een dividend scoort op dat vlak nog iets beter doordat er netto ongeveer de helft van overschiet.

In eerste instantie dient er dus te worden nagegaan of het inkomen dat de aandeelhouders nu uit hun vennootschap halen wel optimaal is georganiseerd. In het bijzonder komen enkel de technieken in aanmerking waarmee de aandeelhouders van het brutobedrag minstens 60% netto overhouden. We merken in de praktijk dat het schoentje daar nogal eens durft te wringen …

Dé truc om dat in de praktijk te bewerkstelligen zit hem voornamelijk in de omvorming van de winsten die door de vennootschapsactiviteiten worden gerealiseerd. Zo kunnen de inkomsten uit de vennootschap onder de volgende vorm naar het privévermogen van de aandeelhouders doorvloeien:

 Schermafbeelding 2013-12-17 om 09.17.14

Door als het ware het "beroepsinkomen" uit de vennootschap om te vormen in andere soorten van inkomsten, kan de bedrijfsleider-aandeelhouder als het ware zijn eigen "cafetariaplan" samenstellen. Uiteraard kan hij enkel opteren voor de inkomsten die voor hem mogelijk zijn. De korf wordt uiteraard eerst aangevuld met de minst belaste inkomsten om te eindigen met loon en/of dividenden die het zwaarst worden belast. Naast de hierboven aangehaalde inkomsten bestaan er soms nog andere interessante voordelen waarvan de bedrijfsleider-aandeelhouder kan genieten. Maar veel zal afhangen van zijn persoonlijke situatie.

Op die manier kan in meer of mindere mate geld uit de vennootschap worden gehaald. Maar meestal zal dit niet voldoende zijn om alle gezinsuitgaven te kunnen dekken waardoor er af en toe een dividend of tantième zal moeten worden uitgekeerd om het tekort aan te vullen. Nu een deel van de reserves in kapitaal vastklikken is dus een goed idee ter vervanging van dat dure dividend of bijkomend loon over 5 of 9 jaar.

Maar misschien hebben de aandeelhouders ook plannen om bijvoorbeeld de komende jaren privé bepaalde investeringen uit te voeren. Ook in dat geval kan het aangewezen zijn om (een deel van) de reserves nu toch vast te klikken in kapitaal en de belastingvrije kapitaalvermindering over 5 of 9 jaar hier dan voor aan te wenden.

Gevoelsmatig lijkt de maatregel ons dan ook ‘noodzakelijk’ voor het gros van de management- en holdingvennootschappen. Ook vennootschappen van vrije beroepers komen zeker in aanmerking.

Uiteraard moet u die incorporatie niet overwegen indien de belaste reserves slechts enkele tienduizenden euro’s bedragen gezien aan die operatie toch wel wat kosten verbonden zijn (twee keer ereloon notaris – bij incorporatie en bij latere kapitaalvermindering - en  in een aantal gevallen ook voor een bedrijfsrevisor). Van zodra zo’n 75.000 € à 100.000 € aan reserves kan worden vastgeklikt, lijkt de transactie ons de moeite. Zo leren wij toch uit onze eigen berekeningen.

Wanneer de reserves NIET vastklikken aan 10%?
Voor wie de komende jaren voldoende geld uit zijn vennootschap kan halen op een fiscaal vriendelijke manier, is het vastklikken van de reserves aan het gunsttarief misschien wel minder interessant dan op het eerste gezicht lijkt. De maatregel lijkt ons helemaal niet interessant voor de aandeelhouder die zijn aandelen zal verkopen (zie hierna). We moeten er immers rekening mee houden dat er nu een verarming van de aandeelhouders plaatsvindt à rato van ongeveer 10%. Dat geld moet onmiddellijk worden betaald aan de fiscus, daar waar het anders zou kunnen dienen ter financiering van de bedrijfsactiviteiten of om ermee te investeren in vastgoed of andere interessante investeringsprojecten. Er moet dus m.a.w. rekening worden gehouden met een zekere "opportuniteitskost".

In zo’n situaties is het van belang om te berekenen binnen welke tijdspanne de latente belastingverhoging van 15% kan worden terugverdiend. We hebben dit  eens berekend voor een kleine vennootschap. Daarbij gaan we uit van volgende gegevens, waarbij we gemakshalve voorbijgaan aan de dividendenpolitiek uit het verleden waarmee wel rekening dient te worden gehouden [3]:

Schermafbeelding 2013-12-17 om 09.25.43

We maken daarbij volgende veronderstellingen:

  • De vennootschap realiseert een intern rendement op de door haar ingezette middelen van 5% (in de praktijk zou een onderneming een hogere return on investment moeten kunnen realiseren dan de kosten op het aan haar verstrekte kapitaal ter financiering van de bedrijfsactiva, zoniet is er sprake van waardevernietiging naar de aandeelhouders toe i.p.v. waardecreatie) of realiseert een beleggingsopbrengst van 5% op haar overtollige liquiditeiten (op lange termijn zijn dergelijke rendementen ook vandaag nog haalbaar)
  • We gaan van de veronderstelling uit dat het tarief van de aftrek voor risicokapitaal voor kleine vennootschappen 3,242% blijft gedurende de volgende jaren
  • We veronderstellen dat de beleggingsopbrengsten/het interne rendement volledig belastbaar zijn/is.

We houden in onze berekening geen rekening met toekomstige winsten omdat die niet relevant zijn. Zij worden bij latere liquidatie sowieso onderworpen aan 25% roerende voorheffing. De volledige berekening kan u terugvinden op TaxWorld: www.taxworld.be/taxworld/accountancyactualiteit.html.

De conclusie is dat het bestuursorgaan van de vennootschap haar reserves beter incorporeert in kapitaal indien zij van plan zijn om de vennootschap binnen een termijn van 26 jaar te ontbinden. Indien de beleggingsopbrengsten belastingvrij zouden kunnen worden gerealiseerd (meerwaarden op aandelen), wordt die termijn uiteraard ingekort.

Stel nu dat het bestuursorgaan er in slaagt om een intern rendement van 10% op het ingezette vermogen te behalen. In dat geval wordt bovenstaande termijn van 26 jaar gereduceerd tot 14 jaar. De aandeelhouders van een toponderneming die een rendement van minstens 15% realiseert op haar vermogen (ja, ook dergelijke ondernemingen komen in de praktijk voor, al zijn die niet dik gezaaid) ziet die termijn van 26 of 14 jaar verder teruglopen tot 9 jaar.

Bij een waardecreërende vennootschap – een vennootschap die dus een hogere return on investment behaalt dan de vergoeding die ze is verschuldigd aan haar geldschieters en het minimaal geëiste rendement van haar aandeelhouders - is de latente belasting van 15% extra op de liquidatiebonus in casu na maximaal 14 jaar terugverdiend indien zij besluit om een bedrag gelijk aan de heffing van 10% niet te betalen maar in de plaats daarvan aan te wenden voor de financiering van haar activiteiten. Incorporeren in kapitaal lijkt dus in zeer veel gevallen de boodschap maar zeker niet in alle gevallen!

Denk ook aan de volgende aspecten …
Los van de vraag of de vennootschap voldoende liquide middelen beschikbaar heeft om de 10% roerende voorheffing te betalen, is het van belang om te overwegen of het maximum aan belaste reserves wordt vastgeklikt of er eerder wordt geopteerd om dat slechts voor een deel te doen.

Er dient immers ook met de volgende aspecten rekening te worden gehouden:

  • Indien bij latere liquidatie minder beschikbare reserves voorradig zijn (bv. afname door toekomstige    verliezen), dan wordt er nu roerende voorheffing betaald die anders nooit verschuldigd zou zijn.
  • Misschien houdt de vennootschap n.a.v. de pensionering van de aandeelhouder(s) niet op te bestaan maar wordt er eerder geopteerd om de aandelen van de vennootschap over te dragen aan een geïnteresseerde koper. Bij een waardering van de aandelen wordt er in dat geval in principe geen rekening gehouden met de "latente" liquidatiebelasting. Bij de waardering van de aandelen wordt immers uitgegaan van het going-concern principe zodat geen rekening kan worden gehouden met deze latente belastingschuld.
  • Indien wordt beslist tot incorporatie, dan moet de voorheffing van 10% onmiddellijk worden betaald. Misschien is die cash niet aanwezig in de vennootschap en moet er geleend worden om dat bedrag te betalen. Dit betekent een mogelijke verstrekking van extra waarborgen door de aandeelhouders en een hogere schuldgraad waardoor de financieringslasten van de vennootschap de hoogte in gaan.
  • De schuldgraad van de onderneming zal stijgen aangezien het eigen vermogen zal dalen a rato van de ingehouden roerende voorheffing op de vastgeklikte reserves.
  • De incorporatie heeft ook een impact op de berekeningsbasis van de aftrek voor risicokapitaal aangezien het eigen vermogen daalt a rato van de betaalde voorheffing.

In ons voorbeeld hebben wij hier wel rekening mee gehouden

  • Het is op heden nog niet geheel duidelijk of de vennootschap in het jaar van incorporatie niet of in mindere mate kan genieten van de vrijstelling voor Tax Shelter aangezien de incorporatie gepaard gaat met een opname van belaste reserves. Een antwoord op die vraag dringt aangezien we net vóór een periode staan waarin moet worden besloten om al dan niet te investeren in Tax Shelter …

Een bijkomend gegeven waarmee dient rekening  gehouden, is de toekomstige inflatie of geldontwaarding. Op  vandaag is die laag en de indicatoren blijven er gunstig uitzien, maar zal dit zo wel blijven? Gezien de enorme geldcreatie wereldwijd door de centrale banken in de laatste jaren hebben we daar wat twijfels bij. Maar stel dat de inflatie toch rond de 2% à 3% zou blijven schommelen. Zelfs met die lage percentages wordt de latente liquidatiebelasting van 25% voor een groot deel uitgehold indien de vennootschap pas op lange termijn wordt ontbonden.

De schuldeisers van de vennootschap daarentegen zullen er alvast niet om rouwen dat de vennootschap een deel van haar reserves incorporeert in kapitaal. Het maatschappelijk kapitaal vormt voor hen immers een belangrijke waarborg doordat het voor een gelijk bedrag activa onbeschikbaar maakt voor uitkeringen aan de aandeelhouders. Zelfs als het eigen vermogen daalt met (maximaal) 10% - aangezien slechts de reserves na inhouding van de 10% roerende voorheffing kunnen worden geïncorporeerd – verkrijgen de schuldeisers meer zekerheid tot voldoening van hun vorderingen op de vennootschap.

Voor de meeste exploitatievennootschappen lijkt de maatregel ons niet echt zinvol als er een holding boven staat. Bij latere ontbinding van de vennootschap - via geruisloze fusie of effectieve ontbinding en vereffening - is het van minder groot of zelfs van geen belang of de vennootschap over een hoog of laag fiscaal gestort kapitaal beschikt. De reserves kunnen in dat geval immers belastingvrije opstromen naar de holdingvennootschap. Bij "gewone" ontbinding en vereffening is er immers sprake van 95% DBI-aftrek op de reserves die terechtkomen in het resultaat van de holding. Bij een (belastingvrije) geruisloze fusie wordt het ontvangen dividend in hoofde van de moedervennootschap zelfs 100% vrijgesteld inzake DBI-aftrek.

Daarbij aansluitend heeft het vastklikken van de reserves totaal geen zin indien binnen korte termijn zou worden geopteerd om de bestaande reserves vast te klikken in kapitaal door oprichting van een holding. In dat geval kunnen de gereserveerde winsten en zelfs de latente meerwaarden indirect volledig belastingvrij worden vastgeklikt in kapitaal op niveau van de holdingvennootschap.

Conclusie
Het is aan te bevelen om een deel van de belaste reserves te incorporeren in kapitaal indien de aandeelhouders op regelmatige basis een inkomen uit de vennootschap halen en dit inkomen voor een (groot) deel bestaat uit extra loon of dividenduitkeringen. In dat geval kunnen de vastgeklikte reserves na de wachtperiode van 4 of 8 jaar belastingvrij worden uitgekeerd aan de aandeelhouders ter vervanging van dat duur extra loon of dividend.

Alles hangt evenwel af van de feitelijke situatie, en een berekening moet uitmaken of het wel degelijk interessant is.

Ook in andere gevallen lijkt de incorporatie van de reserves ons zinvol. Maar zeker niet altijd … Onder andere als een onderneming een voldoende (hoog) rendement weet te behalen op de 10% roerende voorheffing die ze anders moet afdragen aan de fiscus en ze de eerste 15 jaar niet zal worden ontbonden, doet ze er beter aan om dat geld in haar vennootschap te behouden en te gebruiken voor de financiering van haar bedrijfskapitaal of bepaalde investeringsprojecten. Vergeet ook niet dat de inflatie de latente belasting op de gereserveerde winsten langzaam maar zeker uitholt. Op lange termijn zullen de aandeelhouders hierdoor uiteindelijk meer overhouden, en dat zelfs met een liquidatiebelasting van 25%. Die ‘slimme belasting’ is dan niet meer zo slim. Toch voor zij die ze betalen …

[1] Programmawet van 28 juni 2013 [2] Minister Koen Geens spreekt zelf van een 'slimme belasting' [3] Zie de 'anti-misbruikbepaling': er dient rekening gehouden met een 'normale dividenduitkering' indien voorheen dividenden werden uitgekeerd

Auteurs: Bart Vermoesen & Peter Verschelden

De krachtlijnen op een rijtje
Onroerende verhuur met btw: vanaf 1 oktober 2018!
  Hoewel het nog maar een wetsontwerp is en dus nog onderhevig kan zijn aan wijzigingen, willen we toch al de krachtlijnen meegeven van de nakende revolutie in het btw landschap: onroerende verhuur met optie tot onderwerping aan btw. Historiek Van oudsher is de verhuur van onroerende goederen in principe vrijgesteld van btw (artikel 44 §3, 2° W.BTW). Er zijn slechts enkele, spe
UBO (Ultimate Beneficial Owner): de uiteindelijke begunstigden
Het UBO-register: nieuwe informatieverplichtingen op komst voor het bestuursorgaan van uw vennootschap
Door invoeging van artikelen 14/1 en 14/2 in het Wetboek van vennootschappen zijn alle vennootschappen er voortaan toe gehouden toereikende, accurate en actuele informatie over hun "uiteindelijke begunstigden" (ook wel “Ultimate Beneficial Owner” of “UBO” genoemd) in te winnen en bij te houden en te registreren in het nieuwe “UBO-register”: een centraal register waarin gegevens worde
De invoering van het huwelijksvermogensrecht
Einde van het finaal verrekenbeding of alsnog nieuw leven?
Over het finaal verrekenbeding is de laatste jaren al veel stof opgewaaid. Nadat het Hof van Cassatie in 2017 besliste in het voordeel van de belastingplichtige dat de vordering aftrekbaar was in het kader van de verschuldigde successierechten, heeft de Vlaamse decreetgever de fiscus een handje toegestoken door middel van een wetswijziging. 1. Wat is een finaal verrekenbeding en hoe werkt
Sneller systeemrisico's detecteren
Zonder Legal Entity Identifier doet uw bedrijf geen beurstransacties in 2018
Sinds 3 januari 2018 dient elke rechtspersoon die financiële instrumenten aan-of verkoopt te beschikken over een Legal Entity Identifier of kort LEI. 1. Legal Entity Identifier Een LEI is een unieke alfanumerieke code met 20 tekens waarmee elke juridische entiteit die actief is op de (al dan niet internationale) financiële markten op snelle wijze kan worden geïdentificeerd. De LEI st
Ook de ongelijke behandeling wordt onder de loep genomen
Voordeel alle aard bewoning: hoe anticiperen op het hoger of lager scenario?
De discriminatie met betrekking tot het voordeel van alle aard voor huisvesting is al meermaals aan bod gekomen. Meer bepaald betreft dit de ongelijke behandeling van dezelfde voordelen als het gaat om een terbeschikkingstelling door een eenmanszaak dan wel een terbeschikkingstelling door een rechtspersoon. In de meest voorkomende gevallen is het voordeel vanwege een vennootschap fiscaal zomaar ev
Om zo financiële last te verminderen
Starterskorting op sociale bijdragen voor zelfstandigen
De starterskorting is een onderdeel van het zomerakkoord en is ingegaan op 1 april 2018. Via deze weg wil de regering de financiële last van startende zelfstandigen, die bij het begin van hun activiteit vaak lage inkomsten hebben, verminderen en zo het ondernemerschap stimuleren.  Welke zelfstandigen komen in aanmerking?  De kortingsmaatregel geldt voor alle startende zelfstandigen
Het doolhof in de personenbelasting overzichtelijker gemaakt
De aangifte in de personenbelasting: wijzigingen in het formulier voor aanslagjaar 2018
Op 6 april 2018 werd het model van het aangifteformulier voor de personenbelasting met betrekking tot aanslagjaar 2018 gepubliceerd. 
Een volledig overzicht
Uw woonlening in de aangifte personenbelasting aanslagjaar 2018
Het nieuwe aangifteformulier in de personenbelasting voor aanslagjaar 2018 is inmiddels gepubliceerd en dus is het hoog tijd om na te gaan hoe u uw woonlening correct kan invullen in uw aangifte personenbelasting. De grootste wijziging in 2017 heeft zich voorgedaan in de woonfiscaliteit van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De overige gewesten hebben een status quo gehanteerd tegenover vorig jaa
Revolutionair arrest
Belgische administratie wordt teruggefloten: exit “subject-to-tax clause”?
Het Hof van Cassatie heeft op 25 januari 2018 een opmerkelijke uitspraak gedaan in het kader van de toewijzing van heffingsbevoegdheid voor beroepsinkomen in een internationale context. De betwisting Concreet handelde de zaak over het beroepsinkomen verkregen door een professionele wielrenner. In de periode 2007-2009 was de wielrenner door een Belgische werkgever tewerkgesteld en nam hij deel
We bekijken de krachtlijnen van deze hervorming
Na het nieuwe erfrecht volgt de ‘ingrijpende’ verlaging van de erfbelasting… of nog niet?
In navolging van de erfrechthervorming werd ook een aanpassing van de erfbelasting aangekondigd door de Vlaamse regering. 

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief