Overbrenging van goederen naar een andere lidstaat - ook hier soepelere houding tegenover de formaliteiten?

Na het positieve arrest over het recht op btw- aftrek op basis van een niet- conforme factuur, heeft het Hof van Justitie weer een arrest uitgesproken waarin de niet- vermelding van het btw- identificatienummer in de lidstaat van aankomst op het overbrengingsdocument, de btw- vrijstelling in de lidstaat van vertrek niet in de weg mag staan (H.v.J. 20 oktober 2016, zaak C-24/15, Plöckl).

1. De overbrenging en het overbrengingsdocument:

Voor btw-doeleinden wordt de overbrenging van de ene lidstaat naar de andere door een btw-belastingplichtige van een tot zijn bedrijf behorend goed gelijkgesteld met een (vrijgestelde) intracommunautaire levering in de lidstaat van vertrek en met een (belaste) intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst. Hierbij merken wij op dat de figuur van de ‘overbrenging’ enkel van toepassing is binnen het grondgebied van de EU. Indien dergelijke beweging van buiten de EU naar binnen of omgekeerd, betreft het steeds een handeling van invoer, respectievelijk uitvoer.De vrijstelling van de gelijkgestelde intracommunautaire levering in de lidstaat is onderworpen aan een aantal formele voorwaarden, zoals het opstellen van een ‘stuk’, het overbrengingsdocument. Op dergelijk stuk moeten bepaalde vermeldingen voorkomen.

Het Hof van Justitie heeft recentelijk beslist dat het opmaken van een dergelijk stuk zonder dat daarop enig btw-nummer van de lidstaat van aankomst vermeld staat, niet tot gevolg mag hebben dat de vrijstelling voor de gelijkgestelde intracommunautaire levering in de lidstaat van vertrek geweigerd wordt. 

2. De betwisting: overbrenging van een wagen, maar niet volgens de spelregels 

Plöckl heeft een éénmanszaak in Duitsland. In de loop van 2006 kocht hij een auto aan bestemd voor zijn de economische activiteit van zijn onderneming. Later dat jaar heeft hij dit voertuig verzonden aan een in Spanje gevestigde autohandelaar (fysieke versturing, geen verkoop!) met als bedoeling dat voertuig in Spanje te verkopen. Het transport van de wagen van Duitsland naar Spanje is perfect gedocumenteerd via een CMR-vrachtbrief. Het vervoer van de wagen van Duitsland naar Spanje staat aldus niet ter discussie. In de loop van 2007 werd het voertuig door Plöckl effectief verkocht aan een Spaanse onderneming.

De verkoop van de wagen werd door Plöckl in Duitsland niet aangegeven.  In 2007 rapporteerde Plöckl wel een vrijgestelde intracommunautaire levering. Bij een btw-controle was de Duitse fiscus van oordeel dat in hoofde van Plöckl niet voldaan was aan de voorwaarden voor een vrijgestelde intracommunautaire levering en dat het een levering betrof die in Duitsland moest worden belast. Deze claim werd in eerste instantie door de rechtbank geweigerd, omdat deze inderdaad van oordeel was dat, op het ogenblik van de verkoop, het voertuig zich reeds in Spanje bevond. 
Daarna veranderde de Duitse fiscus het geweer van schouder door het standpunt in te nemen dat de overbrenging van het voertuig naar Spanje onderworpen was aan Duitse btw (en dat de vrijstelling niet van toepassing was) omdat Plöckl geen btw-identificatienummer in Spanje had vermeld, en bijgevolg niet het vereiste bewijs had geleverd. 
In Duitsland is de vrijstelling voor de overbrenging (als gelijkgestelde intracommunautaire handeling) namelijk onderworpen aan de formele voorwaarde dat het btw-identificatienummer van btw-belastingplichtige in de lidstaat van aankomst/bestemming wordt vermeld op het overbrengingsdocument.Het is dit laatste punt van discussie dat, na de nodige omzwervingen, werd voorgelegd aan het oordeel van het Hof van Justitie.

3. Hof van Justitie: substance over form?

Het Hof begint met ons te herinneren aan het beginsel van fiscale neutraliteit, hetgeen vereist dat wanneer de materiële voorwaarden voor de btw- vrijstelling zijn voldaan, deze vrijstelling moet worden verleend, zelfs wanneer de btw-belastingplichtige niet heeft voldaan aan bepaalde formele vereisten (zoals de verplichting om het btw-identificatienummer mee te delen voor de vrijstelling voor een intracommunautaire levering). Hetzelfde geldt m.b.t. de verplichting om voor een intracommunautaire overbrenging het door de lidstaat van bestemming toegekende btw-identificatienummer van de btw-belastingplichtige mee te delen. De mededeling van dit btw-identificatienummer levert bewijs op dat die overbrenging is verricht voor de doeleinden van de economische activiteit van de btw-belastingplichtige en dat die als dusdanig optreedt in de lidstaat van aankomst. Het Hof redeneert dat de hoedanigheid van btw-belastingplichtige los staat van het feit of de betrokkene al dan niet over een btw-identificatienummer beschikt. Bijgevolg oordeelt het Hof dat de overlegging van het btw-identificatienummer geen materiële voorwaarde is om een intracommunautaire overbrenging vrij te stellen van btw …

4. Maar is dit altijd het geval? 

Deze redenering van het Hof van Justitie heeft als gevolg dat de btw-vrijstelling voor een intracommunautaire overbrengingen in beginsel niet kan geweigerd worden op grond dat de btw-belastingplichtige het hem door de lidstaat van bestemming toegekende btw-identificatienummer niet heeft meegedeeld. Echter, deze stelling is niet van toepassing in het geval dat een btw-belastingplichtige opzettelijk heeft deelgenomen aan belastingfraude en zo de goede werking van het btw-stelsel in gevaar heeft gebracht of wanneer de niet-nakoming van een formeel vereiste verhindert dat het bewijs wordt geleverd dat aan de materiële voorwaarden is voldaan.

In een andere context had het Hof van Justitie in het verleden reeds beslist dat de btw-vrijstelling voor intracommunautaire leveringen niet kan worden geweigerd wanneer de leverancier, te goeder trouw handelend en na alles te hebben gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, toch het btw-identificatienummer van de afnemer niet kan opgeven… Betekent dit nu dat de vrijstelling toch kan worden geweigerd als een btw-belastingplichtige niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze van hem konden worden verlangd? 

Hierop antwoordde het Hof van Justitie dat het voorgaande niet als algemene regel mag worden beschouwd. Enkel in de situatie waarin moet worden uitgemaakt of een btw-belastingplichtige die de btw-vrijstelling inroept, maar formeel niet (volledig) kan bewijzen, al dan niet aan belastingfraude heeft deelgenomen, moet deze overweging worden gemaakt. Het Hof  herhaalt dat indien het, zoals in de voorliggende zaak , uitgesloten is dat de btw-belastingplichtige aan belastingfraude heeft deelgenomen, de btw-vrijstelling niet kan worden geweigerd, ook niet op grond van de overweging dat deze btw-belastingplichtige niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijze van hem kon worden verlangd om te voldoen aan de formele btw-verplichtingen, zoals het overleggen van het btw-identificatienummer toegekend door de lidstaat van bestemming!

5. Belang van het arrest in Belgische betwistingen?

De zaak die voor het Hof van Justitie kwam, betrof een betwisting omtrent de Duitse formaliteiten voor de overbrenging. 
De voorwaarde die in Duitsland aan de betwisting ten grondslag lag, geldt strikt genomen ook in België. De btw-belastingplichtige die een overbrenging van goederen verricht vanuit België moet hiervoor namelijk ook een ‘stuk’ opstellen. Dit stuk, dat dezelfde verplichte vermeldingen moet bevatten als een factuur, moet de volgende informatie bevatten: “…, wanneer het in artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Wetboek bedoelde leveringen betreft,… de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het btw-identificatienummer dat in de lidstaat van bestemming van de goederen aan de belastingplichtige is toegekend”.
Dit arrest geeft aldus argumenten om de naheffing van Belgische btw de vermijden in het geval dat het btw- nummer van de lidstaat van bestemming niet op het overbrengingsdocument staat vermeld.

De belangrijkste wijzigingen voor u opgelijst
Onroerende verhuur met btw | versie 2.0
Het wetsontwerp van 30 maart 2018 werd na advies van de Raad van State nog op diverse punten aangepast en op 31 juli 2018 ingediend bij het Parlement. Hieronder geven we de belangrijkste wijzigingen mee. Optie tot verhuring van gebouwen met btw  Basisvoorwaarden De basisvoorwaarden om de optie tot verhuur van een gebouw met btw te kunnen uitoefenen blijven ongewijzigd: Het moet g
Het verschil in behandeling wordt weggewerkt
VAA onroerende goederen: fiscus legt zich (voorlopig) neer bij rechtspraak
De FOD Financiën publiceerde op 15 mei 2018 een circulaire 2018/C/57 met betrekking tot de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard.
Een boeiende uiteenzetting rond MBI, opnieuw in oktober
Management Buy-In: spannend én uitdagend
Op Donderdag 7 juni organiseerde Moore Stephens Belgium in de Drongense S.M.A.K lounge, in samen werking met 3W Executive Interim Management alsook met onze partners Sherpa Law en het Business Coaches Network, een interactieve lezing omtrent Management Buy-In (MBI). Filip Van de Vliet kwam zijn persoonlijke Management Buy-In ervaring delen. Lars Raedschelders gaf meer duiding over de financieri
De vastgoedplanning verkeert in woelige wateren
Waardering vruchtgebruik: in volle (R)evolutie?
Er wordt de laatste jaren veel gezegd en geschreven over de waardering van vruchtgebruik en waar het fiscale schoentje knelt. Hieronder geven we een overzicht van de problematiek inzake waardering, de huidige tendensen  en  werpen we ook een blik op toekomstige vastgoedplanning. Waardering vruchtgebruik Waardering van vruchtgebruik: een wereld in verandering Vruchtgebruik is één
De 'use and enjoyment' regels concreet toegelicht
Goederenvervoer en daarmee nauw samenhangende diensten: nieuwe regels verduidelijkt in een circulaire
Op 31 oktober 2017 werd (oud) KB nr. 57, dat handelt over de plaats van de dienst voor goederenvervoerdiensten en daarmee samenhangende diensten, vervangen door een nieuw KB.  Dat KB trad in werking op 23 november 2017. Het verduidelijkt het oude KB deels en voert daarnaast een nieuwe regel in. Teneinde de (nieuwe) regels te verduidelijken en te bespreken, heeft de fiscus op 31 mei 2018 in da
Krachtlijnen
Belangrijke wijzigingen in de verplichtingen voor maatschappen
De op 27 april 2018 gepubliceerde wet over de hervorming van het ondernemingsrecht brengt een aantal wijzigingen aan in het wetboek van vennootschappen en in het wetboek van economisch recht. Deze nieuwe regelgeving treedt in werking op 1 november 2018. Ook voor de maatschappen zullen er  enkele regels wijzigen. Hoewel er nog verduidelijkingen zullen worden gepubliceerd, geven wij hieronder r
UBO (Ultimate Beneficial Owner): de uiteindelijke begunstigden
Het UBO-register: nieuwe informatieverplichtingen op komst voor het bestuursorgaan van uw vennootschap
Door invoeging van artikelen 14/1 en 14/2 in het Wetboek van vennootschappen zijn alle vennootschappen er voortaan toe gehouden toereikende, accurate en actuele informatie over hun "uiteindelijke begunstigden" (ook wel “Ultimate Beneficial Owner” of “UBO” genoemd) in te winnen en bij te houden en te registreren in het nieuwe “UBO-register”: een centraal register waarin gegevens worde
De krachtlijnen op een rijtje
Onroerende verhuur met btw: vanaf 1 oktober 2018!
  Hoewel het nog maar een wetsontwerp is en dus nog onderhevig kan zijn aan wijzigingen, willen we toch al de krachtlijnen meegeven van de nakende revolutie in het btw landschap: onroerende verhuur met optie tot onderwerping aan btw. Historiek Van oudsher is de verhuur van onroerende goederen in principe vrijgesteld van btw (artikel 44 §3, 2° W.BTW). Er zijn slechts enkele, spe
De invoering van het huwelijksvermogensrecht
Einde van het finaal verrekenbeding of alsnog nieuw leven?
Over het finaal verrekenbeding is de laatste jaren al veel stof opgewaaid. Nadat het Hof van Cassatie in 2017 besliste in het voordeel van de belastingplichtige dat de vordering aftrekbaar was in het kader van de verschuldigde successierechten, heeft de Vlaamse decreetgever de fiscus een handje toegestoken door middel van een wetswijziging. 1. Wat is een finaal verrekenbeding en hoe werkt
Sneller systeemrisico's detecteren
Zonder Legal Entity Identifier doet uw bedrijf geen beurstransacties in 2018
Sinds 3 januari 2018 dient elke rechtspersoon die financiële instrumenten aan-of verkoopt te beschikken over een Legal Entity Identifier of kort LEI. 1. Legal Entity Identifier Een LEI is een unieke alfanumerieke code met 20 tekens waarmee elke juridische entiteit die actief is op de (al dan niet internationale) financiële markten op snelle wijze kan worden geïdentificeerd. De LEI st
Hoe aftrekbaar zijn uw restaurantkosten?Download de fiscale gids

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief