Dividenden: kan u als kmo door de bomen het bos nog zien?

Dividenden, het zou iets eenvoudig moeten zijn, maar voor de kleine vennootschappen is het niet altijd eenvoudig om door de bomen het bos nog te zien. Gewone dividenden, VVPRbis dividenden, liquidatie-reserve... kent u ze allemaal nog en waar moeten we op letten?

1. De gewone dividenden
Gewone dividenden zijn dividenden die worden uitgekeerd door de algemene vergadering. Gewone dividenden bestaan in 3 vormen.

Ten eerste hebben we het gewone jaarlijkse dividend. Een jaarlijks dividend wordt beslist door de gewone jaarlijkse algemene vergadering waarop de winstverdeling van het afgelopen boekjaar wordt besproken. Het resultaat van dat boekjaar kan dan ofwel worden gereserveerd in de vennootschap, ofwel worden uitgekeerd als dividend (of tantième, in een volgend artikel zullen we hier dieper op ingaan). Dit dividend kan slechts eenmaal per jaar worden toegekend.

Verder hebben we de tussentijdse dividenden. Tussentijdse dividenden zijn dividenden die tijdens de looptijd van het boekjaar kunnen worden uitgekeerd en door de bijzondere algemene vergadering worden beslist. Een bijzondere algemene vergadering is een algemene vergadering van aandeelhouders die niet over de goedkeuring van de jaarrekening beslist.

Hoewel een tussentijds dividend niet uitdrukkelijk wordt geregeld in het vennootschapsrecht, is er enkele jaren geleden door het Hof van Cassatie bevestigd dat, onder bepaalde voorwaarden, een algemene vergadering ten alle tijde kan beslissen een dividend uit te keren geput uit de beschikbare reserves. Uiteraard moeten de beperkingen die ook gelden voor gewone dividenden eveneens toegepast worden op tussentijds dividenden (beperking van de uitkeerbare reserves met bv. de nog niet afgeschreven kosten van herstructurering). Het feit dat Cassatie enkel verwijst naar de beschikbare reserves belet echter niet dat ook het overgedragen (positieve) resultaat mee voorwerp kan uitmaken van een tussentijdse dividend-uitkering.

Bovendien stelt de commissie voor boekhoudkundige normen dat het niet aangewezen is een tussentijds dividend uit te keren tussen het moment van afsluiting van een boekjaar en de gewone jaarlijkse algemene vergadering die beslist over de goedkeuring van de jaarrekening over dat boekjaar. In dit geval mag men immers geen rekening houden met de resultaten van dat laatste boekjaar (aangezien die winsten nog niet bestemd zijn). Zo zou het kunnen dat een uitgekeerd tussentijds dividend na afsluiting maar voor goedkeuring van de jaarrekening, geen rekening houdt met de feitelijke toestand van de onderneming. Ook de wetgeving stelt dat het uitkeerbaar netto-actief moet bepaald worden op de datum van de afsluiting van het laatste boekjaar. Zolang dit netto-actief niet bekend is, kan er dus geen tussentijds dividend worden uitgekeerd.

Tot slot hebben we nog de interim-dividenden. Een interim-dividend wordt aanzien als een voorschot op het gewone jaarlijkse dividend en wordt dus uitgekeerd vóór de goedkeuring van de balans over dat boekjaar. De uitkering van een interim-dividend mag enkel gebeuren op de winst van het lopende boekjaar en de eventueel overgedragen winsten uit het verleden, die nog niet gereserveerd zijn.

Gereserveerde winsten kunnen nooit worden uitgekeerd als interim-dividend. Interim-dividenden zijn vennootschapsrechtelijk echter enkel mogelijk in een NV en een Comm.VA. en dan nog enkel indien de statuten aan de raad van bestuur de bevoegdheid toekennen om interim-dividenden uit te keren. Zoals u inderdaad leest is de uitkering van een interim-dividend een beslissing van de raad van bestuur, in tegenstelling tot de gewone en de tussentijdse dividenden waar die laatste dividenden worden beslist door de algemene vergadering.

2. Het normale tarief – 30%
Dividenden zijn winstuitkeringen die niet aftrekbaar zijn. Dit wil zeggen dat de uitkering geschiedt uit de winst na belastingen en dat dividenden bijgevolg al een zeker belastingdruk hebben ondergaan vooraleer ze kunnen worden uitgekeerd. De meeste Belgische vennootschappen betalen op dit ogenblik 33,99% vennootschapsbelasting. Bepaalde vennootschappen kunnen genieten van een verlaagd opklimmend tarief, maar om in aanmerking te komen voor dit verlaagd opklimmend tarief moeten bepaalde voorwaarden voldaan zijn, waaronder de voorwaarde dat de uitgekeerde dividenden maximaal 13% van het fiscaal volstort kapitaal mogen bedragen. Om de complexiteit van dit artikel te beperken, gaan we niet verder in op de verlaagde tarieven.

Na de vennootschapsbelasting van 33,99% moet de uitkering eveneens een roerende voorheffing ondergaan. In het geval de dividenden worden uitgekeerd aan natuurlijke personen zal de vennootschap roerende voorheffing moeten inhouden en doorstorten aan de staat binnen de 15 dagen na toekenning of betaalbaarstelling van het dividend.

Het normale tarief roerende voorheffing bedraagt 30% sinds 1 januari 2017. Een winst vóór belastingen van 100, zal na de betaling van 33,99 aan vennootschapsbelasting als dividend kunnen worden uitgekeerd, er blijft op dat ogenblik 66,01 over. Op deze uitkering van 66,01 dient er 30% te worden ingehouden en doorgestort aan de schatkist, waardoor er netto op de rekening van de aandeelhouder nog slechts 46,21 overblijft. Dit betekent een totale belastingdruk van 53,79%.

3. Het VVPRbis – tarief
Gelukkig zijn er enkele mogelijkheden om aan deze zware belastingdruk te kunnen ontsnappen. De eerste is de toepassing van de VVPRbis regeling. Vennootschappen die zijn opgericht vanaf 1 juli 2013, of sinds die datum een kapitaalverhoging hebben ondergaan, kunnen onder bepaalde voorwaarden op die aandelen die sinds die datum zijn uitgegeven terug dividenden uitkeren aan verlaagde tarieven. Het boekjaar van oprichting of kapitaalverhoging zelf en het eerste daaropvolgende boekjaar blijven het gewone tarief behouden (op dit ogenblik dus 30%). Het tweede boekjaar volgend op het boekjaar van oprichting of inbreng geniet een voordeeltarief van 20% en het derde boekjaar volgend op het boekjaar van oprichting of inbreng (en volgende boekjaren) genieten van een voordeeltarief van 15%. De VVPRbis regeling is een voordeeltarief roerende voorheffing op dividenden die door de gewone of bijzondere algemene vergadering worden beslist. Dus zowel de gewone dividenden als de tussentijdse en zelfs de interim-dividenden. Dit voordeeltarief geldt echter niet voor liquidatie-dividenden of in dividend geherkwalificeerde interesten. Uiteraard moeten alle voorwaarden voldaan zijn. Voor de voorwaarden voor de VVPRbis regeling verwijzen we graag naar andere publicaties.

In geval we het voordeeltarief van 15% kunnen genieten, daalt de totale kostprijs van het dividend. Bij uitkering van de 66,01 aan uitkeerbare reserves, blijft er na inhouding van de 15% roerende voorheffing nog 56,11 over. De belastingdruk is dus gedaald van 53,79% naar 43,89%, bijna 10% minder dus.

4. De liquidatiereserve
Kleine vennootschappen die geen gebruik kunnen maken van de VVPRbis regeling (omdat ze niet aan alle voorwaarden voldoen), kunnen mogelijks gebruik maken van de liquidatiereserve regeling. Opnieuw is het ook hier niet de bedoeling om alle voorwaarden van de liquidatiereserve te gaan bekijken. Hiervoor verwijzen we met plezier naar andere publicaties. De regeling van de liquidatiereserve bestaat hierin dat de winst van het boekjaar niet wordt uitgekeerd, maar wordt gereserveerd op een specifieke sub-rekening van de belaste/beschikbare reserves (waarbij de benaming van de desbetreffende sub-rekening verwijst naar de liquidatiereserve-regeling).

Fiscaal gezien zal men de winst na belastingen (die reeds aan 33,99% onderworpen is geweest) toekennen aan deze liquidatiereserve-rekening. Bovenop de vennootschapsbelasting wordt echter de aangroei van de liquidatiereserve bijkomend belast aan een tarief van 10%. U betaalt dus onmiddellijk 10% bijkomende belasting.

Bij uitkering kan de liquidatiereserve echter genieten van een verlaagd tarief roerende voorheffing. Indien de liquidatiereserve wordt uitgekeerd op het moment van liquidatie dient u geen roerende voorheffing meer te betalen. Keert u deze reserve uit meer dan vijf jaar na aanleg ervan, dan betaalt u slechts 5% roerende voorheffing. Enkel in het geval u binnen de vijf jaar na aanleg de reserve reeds uitkeert, betaalt u de compensatie tot het gewone tarief. Voor liquidatiereserves aangelegd over boekjaren tot en met aanslagjaar 2017 (dus boekjaren die afsluiten tot en met 30 december 2017) betaalt u in dit geval 17% roerende voorheffing. Uitkering van een liquidatiereserve binnen de 5 jaar na aanleg indien deze liquidatiereserve is aangelegd over aanslagjaar 2018 en volgende zal belast worden met een roerende voorheffing van 20%. Dit alles om samen met de reeds betaalde 10% op de reeds bekende bedragen uit te komen. Echter, zowel de 10% als de 5% of 17/20% worden berekend op de nettobedragen, waardoor we ook hier weer voordeel doen. Zie hiervoor onderstaande tabel.

5. Keuze voor VVPRbis of liquidatiereserve?
Kleine vennootschappen kunnen zich in principe dus steeds organiseren om de roerende voorheffing van 30% te verminderen tot 15% of zelfs 13,64%. Waarbij er in geval van de VVPRbis regeling steeds aan 15% kan worden uitgekeerd vanaf het derde boekjaar volgend op het boekjaar van inbreng of oprichting, terwijl er bij de liquidatiereserve voor elke aanleg liquidatiereserve steeds 5 jaar moet worden gewacht om het voordeeltarief te genieten.

Wat moeten we nu kiezen indien we van beide regelingen gebruik kunnen maken? Kiest een vennootschap voor de VVPRbis regeling of kiest ze voor de liquidatiereserve? Geen eenvoudige vraag.

Op deze vraag bestaat een zeer eenvoudig antwoord als er in de (nabije) toekomst een liquidatie gepland is. Een dokter van 60 jaar die niet onmiddellijk geld nodig heeft, kan best zijn volledige winst in liquidatiereserve aanleggen, ook al kan hij gebruik maken van de VVPRbis regeling. Op het moment dat deze dokter besluit om te stoppen met zijn activiteit en de beslist de vennootschap te liquideren, wordt er wel een groot voordeel gedaan met de liquidatiereserve. Onder de VVPRbis regeling worden de liquidatieboni (alle uitkeringen op het moment van liquidatie bovenop de terugbetaling van het fiscaal volstort kapitaal) belast aan het gewone tarief van 30%. De reserves die op dat moment als liquidatie-reserve worden aangehouden, en waarop dus reeds 10% is betaald, kunnen zonder toepassing van roerende voorheffing worden uitgekeerd. Een enorme besparing dus.

Vennootschappen die geen onmiddellijke liquidatie hebben gepland en die ook gebruik kunnen maken van de VVPRbis regeling, daar is het antwoord op de vraag welke maatregel we best gebruiken iets moeilijker. Er kan inderdaad 1,36% bespaard worden door te kiezen voor de liquidatiereserve (het verschil tussen 15% roerende voorheffing bij de VVPRbis regeling en de 13,64% bij de liquidatiereserve regeling). Maar de effectieve uitkering van de netto-gelden kan pas binnen 5 jaar plaatsvinden en bovendien moet de 10%-heffing wél onmiddellijk worden betaald, u geeft dus een 5-jarige renteloze lening aan onze staat, in ruil voor een besparing van 1,36%.

U kan uiteraard opteren om de eerste 5 jaar "op uw tanden te bijten" en jaarlijks uw winsten aan te leggen in een liquidatiereserve, daarbij reeds 10% betalend, en vanaf het 6de jaar telkens de winst van 5 jaar geleden uit te keren. In dat geval kan u vanaf jaar 6 jaarlijks een dividend aan de voordeeltarieven uitkeren, inclusief de kleine besparing van 1,36%.

Wanneer u privé echter geen bijkomende financiële middelen nodig hebt, of toch niet op structurele basis, is het aanleggen van een liquidatiereserve niet de meest voordelige keuze. Ook al kan u daar een klein stuk winst op behalen. U geeft immers de staat een mooi voordeel, zonder dat u zekerheid hebt dat u het voordeel dat uzelf kan genieten wel gaat benutten. In dit geval is het beter op het moment dat u het nodig acht, een gewoon dividend uit te keren, aangezien u op dat ogenblik toch het voordeel van de verlaagde VVPRbis tarieven kan genieten en slechts 15% roerende voorheffing betaalt.

Bovenstaande analyse is gemaakt op basis van de huidige regelgeving. Nieuwe wetswijzigingen kunnen uiteraard de nodige aardverschuivingen met zich meebrengen waardoor onze analyse zal wijzigen.

6. Besluit
De meeste kleine vennootschappen zullen zich kunnen organiseren om te ontsnappen aan het monstertarief van 30% roerende voorheffing. Voor vennootschappen die zowel gebruik kunnen maken van de liquidatiereserve als van de VVPRbis regeling, wordt in principe voorrang gegeven aan de VVPRbis regelgeving, tenzij een liquidatie in het vooruitzicht staat. Ook kan het zijn dat indien de klant structureel dividenden wenst uit te keren, er een (klein) voordeel wordt gedaan door de regeling van de liquidatiereserve toe te passen.

Ook de ongelijke behandeling wordt onder de loep genomen
Voordeel alle aard bewoning: hoe anticiperen op het hoger of lager scenario?
De discriminatie met betrekking tot het voordeel van alle aard voor huisvesting is al meermaals aan bod gekomen. Meer bepaald betreft dit de ongelijke behandeling van dezelfde voordelen als het gaat om een terbeschikkingstelling door een eenmanszaak dan wel een terbeschikkingstelling door een rechtspersoon. In de meest voorkomende gevallen is het voordeel vanwege een vennootschap fiscaal zomaar ev
Om zo financiële last te verminderen
Starterskorting op sociale bijdragen voor zelfstandigen
De starterskorting is een onderdeel van het zomerakkoord en is ingegaan op 1 april 2018. Via deze weg wil de regering de financiële last van startende zelfstandigen, die bij het begin van hun activiteit vaak lage inkomsten hebben, verminderen en zo het ondernemerschap stimuleren.  Welke zelfstandigen komen in aanmerking?  De kortingsmaatregel geldt voor alle startende zelfstandigen
Een volledig overzicht
Uw woonlening in de aangifte personenbelasting aanslagjaar 2018
Het nieuwe aangifteformulier in de personenbelasting voor aanslagjaar 2018 is inmiddels gepubliceerd en dus is het hoog tijd om na te gaan hoe u uw woonlening correct kan invullen in uw aangifte personenbelasting. De grootste wijziging in 2017 heeft zich voorgedaan in de woonfiscaliteit van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De overige gewesten hebben een status quo gehanteerd tegenover vorig jaa
Het doolhof in de personenbelasting overzichtelijker gemaakt
De aangifte in de personenbelasting: wijzigingen in het formulier voor aanslagjaar 2018
Op 6 april 2018 werd het model van het aangifteformulier voor de personenbelasting met betrekking tot aanslagjaar 2018 gepubliceerd. 
Revolutionair arrest
Belgische administratie wordt teruggefloten: exit “subject-to-tax clause”?
Het Hof van Cassatie heeft op 25 januari 2018 een opmerkelijke uitspraak gedaan in het kader van de toewijzing van heffingsbevoegdheid voor beroepsinkomen in een internationale context. De betwisting Concreet handelde de zaak over het beroepsinkomen verkregen door een professionele wielrenner. In de periode 2007-2009 was de wielrenner door een Belgische werkgever tewerkgesteld en nam hij deel
We bekijken de krachtlijnen van deze hervorming
Na het nieuwe erfrecht volgt de ‘ingrijpende’ verlaging van de erfbelasting… of nog niet?
In navolging van de erfrechthervorming werd ook een aanpassing van de erfbelasting aangekondigd door de Vlaamse regering. 
Modernisering van het btw-stelsel
Europa kondigt grootse btw-hervorming aan: eerste wijzigingen in werking vanaf 1 januari 2019
Vanuit het besef dat het huidige btw-systeem niet meer aangepast is aan de steeds sneller evoluerende digitale en mobiele economie, ijvert de Europese Commissie sinds jaren voor een diepgaande modernisering van het btw-stelsel. Een grondige studie en zoektocht naar de manier waarop dit concreet vorm kon gegeven worden, resulteerden in december 2016 in een voorstel van de Commissie waarin vereenvou
Breaking news
Verhuur met btw mogelijk vanaf 1 oktober 2018
Het kabinet van Minister Van Overtveldt heeft meegedeeld dat de btw-regels inzake onroerende verhuur vanaf 1 oktober 2018 worden gewijzigd. Dit weekend zou hierover binnen de regering en in het kader van de begrotingscontrole een akkoord zijn bereikt. Dit voorstel lag al op tafel bij het zomerakkoord, maar heeft toen de eindmeet niet gehaald. Deze nieuwe regelgeving kan enkel maar worden toegej
Een pand vestigen op roerende goederen wordt makkelijker
De nieuwe pandwet: invoering van het bezitloos pand en uitbreiding van het eigendomsvoorbehoud
Per 1 januari 2018 trad de nieuwe pandwet in werking. Het wordt makkelijker om een pand te vestigen op roerende goederen dankzij de invoering van een pandregister.
De gevolgen voor vennootschappen
Btw op eigen werk in onroerende staat: wetswijziging toegelicht
Op 29 november 2017 werd het BTW – Wetboek gewijzigd op enkele punten. Op 12 februari heeft de administratie deze wetswijziging toegelicht (Circulaire 2018/C/20). In dit artikel willen we even stilstaan bij de gevolgen van de wetswijziging voor vennootschappen die hun eigen bedrijfsgebouw oprichten of hieraan zelf herstellings-, onderhouds- of reinigingswerken uitvoeren. Vroegere situatie Wa

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief