Nieuwe wettelijke regels voor de waardering van het vruchtgebruik bij de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot

Als de langstlevende echtgenoot samen met de erfgenamen van de overleden partner erft, ontvangt de langstlevende het vruchtgebruik op de nalatenschap en de overige erfgenamen de blote eigendom. Hierdoor worden de langstlevende echtgenoot en de kinderen van de overleden partner gedwongen om samen over de geërfde goederen te beschikken, wat niet zelden leidt tot conflictsituaties en erfenisruzies. Zeker als het wedersamengestelde gezinnen betreft, waarbij de kinderen van de overleden partner niet de kinderen van de langstlevende zijn, stellen we vast dat het gedwongen gedeeld eigendomsrecht tot problemen leidt. De wet voorziet daarom dat beide partijen de omzetting van het vruchtgebruik kunnen vorderen, waarbij de blote eigenaars het vruchtgebruik als het ware 'afkopen' zodat zij volle eigenaars worden van de nalatenschap. In het verleden bleek het echter moeilijk te zijn om tot een vergelijk te komen inzake de afkoopwaarde van het vruchtgebruik, bij gebrek aan duidelijke en dwingende regels terzake. Dit euvel heeft de wetgever nu willen verhelpen middels de nieuwe Wet van 22 mei 2014, waarin een duidelijke rekenkundige formule wordt vooropgesteld als leidraad voor de berekening van de waarde van het vruchtgebruik.

Omzetting van het vruchtgebruik: algemene principes
Zowel de langstlevende partner (vruchtgebruiker) als de afstammelingen (blote eigenaars) kunnen de omzetting in volle eigendom van het geheel of een gedeelte van de geërfde goederen vragen. Het burgerlijk wetboek voorziet wel in een aantal wettelijke beperkingen. Zo kan de vruchtgebruiker de omzetting te allen tijde vragen, behalve wanneer hij samen met anderen dan de afstammelingen van de overledene erft, in dat geval kan hij de omzetting enkel vorderen binnen de 5 jaar na het openvallen van de nalatenschap. De blote eigenaar kan enkel verzoeken om de omzetting indien hij een afstammeling is van de overledene. Bovendien kan de omzetting van het vruchtgebruik op de gezinswoning en de huisraad niet worden toegestaan aan de blote eigenaar zonder de instemming van de vruchtgebruiker.

Concreet kunnen we deze beperkingen aan de hand van het volgende voorbeeld illustreren:

Gert en Marlène zijn gehuwd en hebben samen geen kinderen. Marlène heeft 2 zonen uit een vorig huwelijk, Albert en Octaaf. Gert is 100% eigenaar van de gezinswoning en beiden bezitten daarnaast elk een aantal eigen goederen. Als Gert komt te overlijden, erft Marlène het vruchtgebruik op de gezinswoning en de overige eigen goederen van Gert. Aangezien Gert geen naaste familieleden heeft, heeft hij zijn nalatenschap testamentair toebedeeld aan Albert en Octaaf, die bijgevolg de blote eigendom erven. Vijf jaar later ontmoet Marlène de derde man van haar leven en huwt ze met hem. Door dit huwelijk komen Marlène (enerzijds) en Albert en Octaaf (anderzijds) op gespannen voet te leven. Marlène wenst in de gezinswoning te blijven wonen, maar heeft dan weer geen boodschap aan (het vruchtgebruik van) de verzameling kunstvoorwerpen die Gert heeft nagelaten. Zij vraagt daarom de omzetting van het vruchtgebruik op de kunstvoorwerpen. Maar aangezien zij destijds niet samen met de afstammelingen van Gert heeft geërfd, wordt de omzetting geweigerd omdat ze deze niet tijdig (binnen de 5 jaar) heeft gevraagd. Albert en Octaaf hadden hun moeder graag uit hun woning gezet door de volle eigendom op te eisen. Echter, omdat Albert en Octaaf geen afstammelingen zijn van Gert, kunnen zij de omzetting van het vruchtgebruik op de woning niet eisen.

Waardering van het vruchtgebruik
Tot dusver is er op heden niets gewijzigd. De algemene principes van het Burgerlijk Wetboek blijven onverminderd van toepassing. Wel werd er gesleuteld aan de regels inzake de waardering van het vruchtgebruik die relevant worden zodra de omzetting wordt overeengekomen of wordt toegestaan door de rechter. Bij gebrek aan geijkte regels ter zake, werd de waarde van het vruchtgebruik in de praktijk doorgaans berekend aan de hand van de zogenaamde sterftetafels uit het Wetboek van Successierechten of op basis van een aantal andere formules (die niet wettelijk waren vastgelegd), al naargelang wat partijen onderling overeenkwamen of wat de rechter opportuun achtte. De nieuwe Wet van 22 mei 2014 introduceert nu een formule die van toepassing zal zijn of die zal worden opgelegd indien er geen akkoord bestaat over de berekeningswijze.

Deze formule is gebaseerd op 3 parameters:

  • De leeftijd van de vruchtgebruiker op de datum van de indiening van het verzoekschrift tot omzetting van het vruchtgebruik;
  • Het geslacht van de vruchtgebruiker;
  • De verkoopwaarde van de goederen.

De minister van Justitie zal elk jaar tegen 1 juli twee omzettingstabellen publiceren: een voor mannen en een voor vrouwen. De ratio legis van dit onderscheid is de verschillende levensverwachting van mannen en vrouwen en meer bepaald het feit dat vrouwen gemiddeld ouder worden dan mannen. Elke omzettingstabel zal de volgende elementen vermelden:

  • De leeftijd van de vruchtgebruiker;
  • Diens levensverwachting met de overeenstemmende rentevoet;
  • De waarde van het vruchtgebruik, uitgedrukt als een percentage dat moet worden toegepast op de verkoopwaarde van de goederen.

De rentevoet waarvan sprake, is de gemiddelde rentevoet over de laatste 2 jaar van de lineaire obligaties (OLO's) met een looptijd die identiek is aan de levensverwachting van de vruchtgebruiker, verminderd met de roerende voorheffing. Indien de levensverwachting de langste OLO looptijd overschrijdt, wordt deze langste looptijd in aanmerking genomen.

De waarde van het vruchtgebruik is dan gelijk aan het verschil tussen de waarde van de volle eigendom en de waarde van de blote eigendom, waarbij de waarde van de blote eigendom het resultaat is van de volgende formule:

Blote eigendom = volle eigendom
                                          (1+ RV)LV *

*waarbij RV staat voor rentevoet en LV voor de levensverwachting van de vruchtgebruiker.

Hierbij verduidelijkt de wet dat als de levensverwachting door bepaalde omstandigheden manifest lager zou zijn dan het cijfer dat voorkomt in de omzettingstabellen (bijv. bij terminale ziekte), de partij die zich daardoor benadeeld voelt naar de rechter kan stappen. De rechter kan dan de omzetting weigeren of andere omzettingsregels opleggen.

We lichten toe aan de hand van een voorbeeld.

Op het ogenblik dat Eddy komt te overlijden, is zijn echtgenote Mariëtte 67 jaar. Zij hebben samen 3 kinderen. Het totale vermogen van Eddy kan geraamd worden op € 550.000 Mariëtte erft het vruchtgebruik en de 3 kinderen de blote eigendom. Mariëtte en de kinderen komen overeen dat de kinderen het vruchtgebruik van hun moeder afkopen conform de nieuwe omzettingstabellen, zodat zij de volle eigendom van de nalatenschap verkrijgen.

Volgens de omzettingstabel (voor vrouwen) is de gemiddelde levensverwachting van Mariëtte 20,36 jaar, bedraagt de overeenstemmende rentevoet 2,54% en is de waarde van het vruchtgebruik gelijk aan 39,99% van de waarde van de volle eigendom. In toepassing van de genoemde formule, kan de waarde van de blote eigendom geraamd worden op:

€ 330.046,27 = € 550.000,00 
                        (1 + 2,54%)20,36

Indien naar aloude gebruiken de sterftetabellen van het Wetboek van Successierechten zouden gehanteerd worden, zou de waarde van de blote eigendom als volgt berekend worden:

€ 374.000,00 = € 550.000,00 - (550.000 x 32%)

De waarde van de blote eigendom ligt dus beduidend lager volgens de nieuwe formule, wat geheel logisch is, aangezien onze levensverwachting inmiddels veel hoger is waardoor ook het vruchtgebruik op een hogere waarde dient geraamd te worden.

Bij toepassing van bovenstaande regels wordt eveneens expliciet bepaald dat de vruchtgebruiker het vruchtgebruik behoudt totdat de blote eigenaar de kapitalisatiewaarde van het vruchtgebruik heeft betaald. Intresten zijn er pas verschuldigd als de vruchtgebruiker na de definitieve vaststelling van de afkoopwaarde bij aangetekende zending of bij deurwaardersexploot te kennen geeft dat hij afstand doet van het genot van de zaak, in welk geval de blote eigenaar naast de kapitalisatiewaarde eveneens een intrest verschuldigd is die wordt berekend op basis van de wettelijke intrestvoet.

Tot slot zullen deze nieuwe uniforme regels inzake de waardering van het vruchtgebruik ook gelden in een andere situatie, die in feite volledig losstaat van de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, zijnde de situatie waar de vruchtgebruiker en de blote eigenaar(s) beslissen om het goed samen te verkopen aan een derde. In dat geval moet de verkoopprijs 'eerlijk' verdeeld worden tussen de vruchtgebruiker en de blote eigenaar(s). Indien partijen voorafgaandelijk geen akkoord hebben gesloten over de exacte verdeling van de verkoopopbrengst, zal de nieuwe formule ook hier soelaas brengen.

Volgend voorbeeld illustreert:

Pol en Xavier zijn samen eigenaars van een onroerend goed. Pol is 48 jaar en heeft het vruchtgebruik. Xavier bezit de blote eigendom. Samen beslissen ze om het onroerend goed te verkopen aan een derde. Ze hebben een koper gevonden die € 400.000 wenst te betalen voor het onroerend goed. De vraag die zich nu stelt is: wie krijgt nu wat van die verkoopprijs?

Volgens de omzettingstabel (voor mannen) is de gemiddelde levensverwachting van Pol 35,47 jaar, bedraagt de overeenstemmende rentevoet 2,64% en is de waarde van het vruchtgebruik gelijk aan 60,32% van de waarde van de volle eigendom. In toepassing van de genoemde formule, kan de waarde van de blote eigendom geraamd worden op:

€ 158.729,87 = € 400.000,00 
                                   (1 + 2,64%)35,47

De verkoopprijs van het onroerend goed kan op basis van de tabellen dus als volgt verdeeld worden:

- Pol (vruchtgebruiker):    € 241.270,13
- Xavier (blote eigenaar): € 158.729,87
                                      € 400.000,00

 

Conclusie
Het zij duidelijk dat de nieuwe regels van aanvullende aard zijn. Indien partijen onderling een andere berekeningswijze overeenkomen, mag deze dus nog steeds toegepast worden. Slechts indien partijen niet tot een akkoord komen, zal de rechter de nieuwe formule toepassen.

Hoewel het burgerrechtelijke (en geen fiscale) regels betreft, mogen we toch niet uit het oog verliezen dat de waardering van het vruchtgebruik vaak ook een fiscaal tintje heeft. De omzetting an sich heeft geen invloed op de successierechten bij het overlijden van de eerste echtgenoot, maar het kan wel leiden tot fiscaal nadelige gevolgen. De afkoopwaarde van het vruchtgebruik, dat de langstlevende bij de omzetting in volle eigendom ontvangt, zal op het moment van zijn/haar overlijden en in de mate dat de som nog aanwezig is in de nalatenschap, opnieuw belast worden met successierechten! Wanneer de langstlevende daarentegen enkel over het vruchtgebruik van de omgezette goederen beschikt, wast het vruchtgebruik op het ogenblik van het overlijden aan bij de blote eigendom zonder bijkomende heffing inzake successierechten. Door de omzetting van het vruchtgebruik kan er dus sprake zijn van dubbele taxatie. Daarbij stelt zich de vraag of de fiscus, op het ogenblik van de tweede taxatie, zich kan verzetten tegen de onderschatting van de waarde van het vruchtgebruik. Hoewel dit bijzonder ‘onbillijk’ lijkt, moet men er rekening mee houden dat een te lage verkoopprijs van het vruchtgebruik kan geviseerd worden door de fiscus. Met de nieuwe formule kan dergelijke onderschatting ondervangen worden.

Een en ander noopt dus tot het streven naar een correcte waardering van het vruchtgebruik, ook in het kader van de burgerrechtelijke regeling inzake de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende. Aangezien de gedateerde sterftetabellen in de meeste gevallen niet meer leiden tot een juiste weergave van de waarde van het vruchtgebruik en de blote eigendom, verdient het de voorkeur dat er gegrepen wordt naar geactualiseerde berekeningsmethodes. De wetgever heeft nu, met de introductie van de nieuwe Wet van 22 mei 2014, een dergelijke duidelijke en eenvormige berekeningstool aangereikt. Of hiermee nu alle problemen die zich in dit kader hebben gesteld in het verleden zullen zijn opgelost, is nog maar de vraag, maar we hebben nu wel een waardevolle kapstok gekregen, waaraan we (ook in andere contexten) de waardering van het vruchtgebruik kunnen ophangen.

Auteur: Joke Laurijssen

 

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief